Introductie

Al in 1814 is jodium ontdekt en beschreven. In die beginjaren werd het vervolgens zeer veel gebruikt in ongewoon hoge doseringen. Mogelijk door die hoge doseringen werden regelmatig bijwerkingen (jodisme) gezien. Dit zorgde er uiteindelijk voor dat jodium min of meer in de ban werd gedaan en de angst voor teveel jodium was geboren. Ook de constatering rond 1850 dat jodium een goed effect had op het voorkomen van een opgezette schildklier werd in die tijd mede door de slechte naam die jodium inmiddels had opgebouwd, niet geaccepteerd.


Het duurde nog eens 70 jaar voordat het bekende onderzoek van Marine en Kimball aantoonde dat een dosering van 1700 milligram gedurende 10 dagen 2 keer per jaar gegeven zorgde voor een vermindering van een vergrote schilklier en het ontstaan ervan voorkwam bij kinderen van 10 tot 14 jaar. Aan kinderen van 14 tot 18 jaar werd een dubbele dosering (3400 milligram) gegeven. Dit was nog altijd minder dan gebruikelijk was in de eerste helft van de 19e eeuw maar is veel meer dan tegenwoordig wordt geadviseerd. Omgerekend bedroeg de dagdosering tijdens het onderzoek 9000 microgram in vergelijking met de aanbevolen dosering van 150 microgram van tegenwoordig. Desondanks werden tijdens het onderzoek bij 2190 meisjes tussen de 10-18 jaar geen bijwerkingen gezien. Onduidelijk is hoe de 150 microgram per dag van tegenwoordig tot stand is gekomen.


Vanaf dat onderzoek wordt het uitbannen van jodiumgebrek een belangrijk gezondheidsaspect. In vele landen wordt jodium toegevoegd aan de voeding, vaak door toevoeging aan het zout maar soms ook in zuivelproducten. Daarbij wordt niet meer uitgegaan van de doseringen gebruikt in het oorspronkelijke onderzoek maar wordt gestreefd naar de minimaal noodzakelijke dosering om het struma of krop te voorkomen. Uiteindelijk is dit vastgesteld op 150 microgram per dag.


Bij de discussie over de wenselijke dosering wordt uitgegaan van het voorkomen van ziekte en niet het streven naar een optimaal functioneren. Dat deze twee doseringen niet hetzelfde zijn lijkt voor de hand te liggen en derhalve zal de dosering die nodig is voor een optimaal functioneren waarschijnlijk hoger liggen dan de huidige aanbevolen hoeveelheid. Ook toonaangevende tijdschriften als de New England Journal of Medicine (NEJM) hebben aangegeven dat de huidige dosering waarschijnlijk niet voldoende is om tot een optimale situatie te komen. Bij vitamine D heeft eenzelfde discussie plaatsgevonden die uiteindelijk ertoe heeft geleid dat de normen fors omhoog zijn gegaan en het streven niet langer het voorkomen van de Engelse Ziekte is, maar een optimale vitamine D stofwisseling is.


De reden waarom dit bij jodium zo moeizaam verloopt heeft veel te maken met de periode 1814-1860. Toentertijd werden veel bijwerkingen gezien. Dit heeft uiteindelijk bijgedragen aan de angst voor teveel jodium. Ondanks het feit dat er geen onderzoeken zijn die deze angst kunnen bewijzen, blijft deze emotie hardnekkig aanwezig. De WHO stelt dat de voordelen de nadelen van jodium verreweg overtreffen. Daarnaast weten we tegenwoordig veel beter dan vroeger hoe de schildklierstofwisseling in elkaar zit. En kunnen we dus beter eventuele bijwerkingen die toch zouden optreden onderzoeken. Daarbij kunnen andere factoren dan jodium een rol spelen zoals we tegenwoordig weten.


Een zeer bekende factor voor bijwerkingen is het lang bestaande jodiumtekort zelf. De schilkier ontwikkeld dan kleine knobbeltjes die uiteindelijk kunnen leiden tot een te sterk werkende schilklier zeker als er plotseling voldoende jodium het lichaam binnenkomt (het multinodulaire struma). Daarnaast kan een langer bestaand jodiumtekort ertoe leiden dat de schildklier een plotselingen toename van de dagelijkse hoeveelheid jodium niet goed kan verwerken. Bij het aanpassen van de schildklier op die toename van jodiuim treedt er soms een resetting van de schildklier op (het zgn Wolff-Chaikoff effect), waarbij de schildklier daarna in een lager tempo jodium opneemt. In sommige gevallen zou de schilklier na dit effect niet meer goed op gang komen met een traag werkende schildklier als gevolg. Door jodiumtekorten te elimineren worden deze voornaamste bijwerkingen van jodium uiteindelijk voorkomen. Kinderen tot 18-20 jaar lijken hiervoor veel minder gevoelig te zijn, mogelijk door de kortere blootstelling aan jodiumtekort.


Zelfs als we het hebben over de huidige dosering blijkt dat er wereldwijd veel minder is bereikt dan zou mogen worden verwacht van de huidige moderne maatschappij en geneeskunde. Het laatste rapport van de WHO laat een ontluisterend beeld zien. Europa staat er slechter voor dan menig ontwikkelingsland. Na 100 jaar inspanning en geld blijkt dat Europa 272 miljoen mensen kent die een onvoldoende jodiuminname hebben. Daarvan bijna 25 miljoen kinderen tussen de 6-12 jaar. Dat betekent ongetwijfeld nog eens een groot aantal kinderen tussen 0-6 en 12-18 jaar. Het tekort komt immers niet uit de lucht vallen op het 6e jaar maar is een doorlopend probleem. Als we ons daarbij realiseren dat juist kinderen in hun ontwikkelingsfasen gevoelig zijn voor tekorten is dit zeer zorgelijk. Vooral de intellectuele en sociale ontwikkeling wordt erdoor belemmerd. Overigens niet alleen bij kinderen maar ook bij volwassen.

Jodiumgebrek tijdens de zwangerschap verdient extra aandacht. Juist tijdens de ontwikkeling van het kind in de baarmoeder is jodium nodig. De enige die dat kan leveren is de moeder zelf. Het is bekend dat jodiumgebrek tijdens de zwangerschap een verhoogd risico geeft op aangeboren afwijkingen, laag geboortegewicht en vervroegde dood van het ongeboren kind. Ook een gering jodiumgebrek heeft nadelige gevolgen en heeft een negatief effect op de ontwikkeling van de intellectueel mogelijkheden van het kind. Recent onderzoek in Italië heeft laten zien dat er een verhoogd risico is op de ontwikkeling van ADHD bij het kind op latere leeftijd.


Terug naar Nederland lijkt het in de conclusie van de WHO allemaal mee te vallen. Nederland hoort immers bij de landen die een adequate en optimale jodiumvoorziening hebben. Het probleem wordt pas duidelijk als we naar de echte getallen kijken. De mate waarin een bevolking voldoende jodium heeft wordt bepaald met behulp van de hoeveelheid jodium in de urine. De WHO hanteert de definitie dat een land adequaat en optimaal is als de mediaan (het punt waar 50% boeven en 50% onder die waarde valt) van de totale groep boven de 100 microgram per liter urine ligt. Voor Nederland geldt dat het gemiddelde 154 microgram/ liter bedraagt. Volgens de definitie valt het dus mee. Maar veel vervelender wordt het als we kijken hoeveel procent onder de 100 microgram scoort. Dat blijkt in Nederland 37% procent te zijn! De WHO rekent deze getallen terecht om naar het aantal Nederlanders dat een onvoldoende jodiuminname heeft. Dat blijken dan 6 miljoen Nederlanders te zijn, waarvan 500.000 kinderen tussen de 6-12 jaar! De WHO gebruikt die aantallen om hiermee te berekenen hoeveel Europeanen onvoldoende jodium krijgen en komen dan uit op 272 miljoen inwoners. Het streven zou dus niet het gemiddelde moeten zijn maar ervoor te zorgen dat er in Nederland (en de rest van de wereld) geen jodiumgebrek meer voorkomt. Nog vervelender wordt het verhaal als we ons realiseren dat de WHO al sinds 2004 voor zwangeren andere normen hanteert. Daar hoort de grens tussen de 150 en 250 microgram per liter te liggen en wordt geadviseerd aan zwangeren een hogere dosering jodium toe te dienen. Amerika volgt, net als Duitsland, deze richtlijn maar Nederland niet. Evenmin zijn er recente Nederlandse cijfers over de situatie bij de Nederlandse zwangere vrouw.


Wel heeft het RIVM relatief kort geleden een onderzoek verricht naar jodiumgebrek in Doetichem. Daaruit bleek dat de mediane uitscheiding in de totale groep 109 microgram per liter bedroeg en dus volgens de criteria voldoende adequaat. UIteraard betekent dit alleen dat er gemiddeld geen tekort aanwezig is maar zegt dat niets over het individu! Kijken we echter nauwkeuriger naar de cijfers dan blijkt dat de vrouwen een mediane jodium uitscheiding van 97 microgram per liter hebben en dus volgens het (ook door het RIVM gehanteerde) WHO criterium een jodiumtekort hebben. Dit is des te vervelender als we ons realiseren dat vrouwen in de zwangerschap een waarde tussen de 150 en 250 microgram moeten hebben. Met alle zout (en dus ook jodium) beperkende adviezen lijkt dat zonder aanvullende maatregelen een onmogeljkheid. Dat vrouwen een risicogroep zijn is duidelijk maar helaas zien we dat in de uiteindelijk gepresenteerde conclusie niet meer terug omdat daar mannen en vrouwen zijn samengevoegd. In onze ogen een onterechte samenvoeging.


In 100 jaar aandacht voor jodiumgebrek blijkt dat de situatie zo is dat er in Nederland 6 miljoen mensen zijn die een onvoldoende inname hebben. Daarbij praten we over de minimale dosering en nog helemaal niet over een optimale dosering. Het lukt dus kennelijk ook in een moderne maatschappij met voldoende rijkdom niet om een eenvoudig tekort op te lossen. Zelfs niet na 100 jaar. Het is zo langzamerhand de hoogste tijd dat het probleem van tekorten hard wordt aangepakt met de juiste middelen. Niemand wil dat zijn of haar kind een verhoogd risico loopt op een verminderde intelligentie, de ontwikkeling van ADHD of een minder sociale ontwikkeling. Verder wil niemand zelf het risico lopen op de gevolgen van zelfs een gering jodiumgebrek. Zeker niet omdat jodium goedkoop is, makkelijk te maken en heel eenvoudig toe te dienen.


Het is de hoogste tijd dat overheden, professionals, bedrijven hun verantwoordelijkheid nemen dit al 90 jaar lang durende probleem op te lossen. Daarbij ligt de nadruk op samenwerking en het kunnen loslaten van domeinen, ego's, carrieres en dergelijke. Als dat lukt ligt daarin de grootste kracht, maar helaas schuilt daarin ook het grootste gevaar. De individuele en organisatie belangen zijn enorm en een niet te onderschatten bedreiging. Daarmee ligt er eveneens een grote rol voor de media zowel vanuit hun voorlichtende rol maar eveneens vanuit hun toetsende rol in de maatschappij. Ook zij zullen hun regels in dat belang moeten bijstellen.


Wij vinden het niet meer dan onze verantwoordelijkheid om te zorgen dat het probleem van jodiumtekort bekendheid krijgt en uiteindelijk op de diverse agenda's komt. Wij beweren niet de oplossing voor alle problemen te hebben gevonden, maar een rapport van een dergelijk instituut met dergelijke cijfers kan en mag niet genegeerd worden.

De maatschappij heeft recht op verdere discussie en onderzoek, waarbij het streven moet zijn een maatschappij te creëren vrij van tekorten. Daarmee zou Nederland een voorsprong nemen op de rest van de wereld, zowel wetenschappelijk als sociaaleconomisch. Laten we beginnen met een 90 jaar oud probleem op te lossen, jodiumtekort.

Man met struma

CrSwiss3

Zwitserland is van oudsher een jodiumgebreksgebied.Hier 13 cretins (dwerggroei door jodiumgebrek) in het begin van de 20e eeuw

Jodium Nld 1932

Gemiddelde hoeveelheid jodium in Nederlands drinkwater rond 1932 met grote regionale verschillen.

Hypothyreoidie 1

Man met een traag werkende schilklier voor (links) en na behandelin (rechts). Dit werd de obese vorm van hypothyreoidie genoemd. De man links is niet te onderscheiden van de huidige (obese) mensen met overgewicht.

WHO rapport 2007 “Iodine deficiency in Europe”
http://whqlibdoc.who.int/publications/2007/9789241593960_eng.pdf

RIVM onderzoek 2006: jodiumstatus in geselecteerde populatie
http://www.rivm.nl/vcp/onderzoeken/voedingsstatus/

R.H. Verheesen en C.M. Schweitzer: Iodine deficiency: more than cretinism and goiter
http://www.medical-hypotheses.com/article/S0306-9877(08)00289-2/abstract