Bijwerking van jodium suppletie

De eerder beschreven ontwikkeling van kleine knobbeltjes in de schildklier is de reden waarom vaak een toename van hyperthyreoidie wordt gezien op het moment dat er binnen een bevolking meer jodium wordt toegevoegd aan de voeding. Het is echter ook een tijdelijke toename die weer verdwijnt op het moment dat de hele bevolking van jongs af aan voldoende jodium binnenkrijgt. Het is dus een bijwerking die ontstaat omdat jodiumtekort aanwezig is. De oplossing is dus jodium toevoegen en de bijwerkingen goed begeleiden. Angst voor de bijwerking is wel terecht maar mag het toevoegen van jodium nooit in de weg staan.


Het jodiumgebrek lijkt ook, in ieder geval deels, de oorzaak te zijn van de hypothyreoidie die soms zeer gering lijkt toe te nemen na jodiumtoevoeging. Ten tijde van jodiumgebrek functioneert de schildklier in een hyperactieve fase voor wat betreft de jodiumopname. Dit garandeert dat uiteindelijk meer dan 80 % van het ingenomen jodium door de schildklier wordt opgenomen als er sprake is van jodiumtekort. Ter vergelijking wordt slechts 10% opgenomen door de schildklier als er sprake is van een voldoende jodiuminname. De enorme opname capaciteit ten tijde van een tekort kan natuurlijk nooit blijven bestaan op het moment dat jodiuminname weer toeneemt. De schildklier kent hiervoor een zeer boeiend fenomeen dat het Wolff-Chaikof effect wordt genoemd. Op het moment dat de schildklier plots een toename van jodium krijgt te verwerken, wordt de schildklier kortdurend “uitgezet”. De pauze die wordt ingelast wordt gebruikt om het actieve opname systeem op een lager niveau te brengen zodat het is aangepast voor de nieuwe situatie. Na enkele dagen wordt het systeem op dat nieuwe niveau weer aangezet. Bij afwijkingen in de schildklier, zoals die ondermeer kunnen ontstaan door een langdurig tekort, kan het in zeldzame gevallen voorkomen dat de schildklier niet meer goed aanschakelt, met uiteindelijk een hypothyreoidie als gevolg. Vroeger werd van dit effect gebruik gemaakt om tijdelijk de schildklier uit te schakelen bij mensen met een ernstige hyperthyreoidie, het zogenaamde Plummeren, waarbij in een keer zeer veel jodium werd gegeven.


Een ander effect waarvan niet geheel duidelijk is of dit wel een relatie met jodium heeft is het ontstaan van antistoffen gericht tegen de schildklier (de zogenaamde anti-TPO antistoffen). Onderzoek hiernaar, voor zover aanwezig, laat niet zien dat dit uiteindelijk ook gepaard gaat met ziekte. De vraag is dus hoe belangrijk die antistoffen zijn. Daarnaast laat onderzoek zien dat de antistoffen op individueel niveau ook weer kunnen verdwijnen. Het blijft wat dat betreft onduidelijk hoe dit moet worden ingeschat en het goed vervolgen hiervan in relatie tot andere mogelijke factoren lijkt van belang om meer duidelijkheid te krijgen.


Een laatste mogelijk effect betreft schildklierkanker. Er wordt geen toename gezien tijdens jodiumtoediening. Er zijn enkele publicaties die laten zien dat de soort kanker wel wijzigt, van een slecht behandelbare vorm naar een beter behandelbare vorm. Dat zou een gunstig effect kunnen zijn. Echter een enkele ander publicatie kan dit effect niet laten zien. Daarbij zijn de periodes waarin de onderzoeken lopen toch vaak wat beperkt.